De eretitel van de Romeinse keizers was 'Augustus'. Deze titel werd oorspronkelijk gegeven aan Gaius Octavius Thurinus, de eerste keizer van het Romeinse Rijk. Na zijn dood werd de titel doorgegeven aan zijn opvolgers, waardoor het een belangrijk symbool van keizerlijke macht en autoriteit werd.
De titel 'Augustus' betekent letterlijk 'verheven' of 'verhevene' in het Latijn. Het werd gebruikt om de keizer te eren en zijn goddelijke status te benadrukken. De keizers werden beschouwd als heersers die door de goden waren gekozen en die boven het gewone volk stonden.
De eretitel 'Augustus' werd vaak gevolgd door de naam van de keizer, bijvoorbeeld 'Augustus Caesar' of 'Augustus Tiberius'. Het was een teken van respect en macht, en werd gebruikt om de keizerlijke autoriteit te versterken.
In totaal regeerden er 14 keizers met de eretitel 'Augustus' over het Romeinse Rijk, vanaf de oprichting van het keizerrijk door Gaius Octavius Thurinus in 27 v.Chr. tot de val van het West-Romeinse Rijk in 476 n.Chr.